Verslag: De Kindvriendelijke Stad

Veel ouders denken dat de stad een slechte plek is om hun kinderen te laten opgroeien en trekken daarom naar buitenwijken. Dat hoeft helemaal niet, want volgens Marlies Rohmer en Lia Karsten heeft de stad kinderen juist meer te bieden dan de meeste Vinex-locaties. Maar dan moeten projectontwikkelaars, lokale overheden, bewoners en architecten er wel voor zorgen dat de stad kindvriendelijker wordt. Hoe ze dat zouden kunnen doen en wat de problemen zijn waar stadskinderen en hun ouders mee kampen, bespraken zij in het debat De kindvriendelijke stad.

Datum: 11 juni 2007
Lokatie: Cinemariënburg, zaal 1, Nijmegen
Bezoekers: 40
In samenwerking met: Spectrum
Download dit verslag in PDF-formaat


Sprekers
Marlies Rohmer, directeur Rohmer architecten, auteur Bouwen voor de next generation
Lia Karsten, sociaal geograaf, auteur o.a. Stadskinderen

Gespreksleider
Cindy Cloïn, freelance journalist

Verslag
Gerard Zeegers

Opvoeden is behoeden

Architect Marlies Rohmer vindt dat kinderen tegenwoordig te weinig ruimte krijgen in de stad; er moeten structurele maatregelen genomen worden om de straat toegankelijker te maken voor kinderen. Dat is een complexer probleem dan je zou denken. Wie denkt dat we er met het aanleggen van een paar speelveldjes met de welbekende ‘wipkippen’ al zijn, vergist zich volgens Rohmer. Kinderen hebben namelijk braakliggende terreinen nodig, waar ze zelf kunnen ontdekken en spelen; dat komt hun zelfstandigheid later ten goede.

In het eerste deel van het programma schetst Rohmer een aantal problemen, waarvoor ze later mogelijke oplossingen voorstelt. Hiervoor put zij zowel uit een onderzoek dat ze uitvoerde voor haar boek Bouwen voor de next generation, als uit haar eigen ervaringen als architect – maar ook als kind en moeder. Ze toont tijdens haar verhaal dia’s waaronder veel privé-materiaal. Zo zien we een piepjonge Marlies als klaarover in het centrum van Rotterdam, waar ze opgroeide. ‘In die tijd deed je dat gewoon, er waren nog geen professionele klaarovers zoals nu’. Kinderen durfden vroeger meer en kregen die vrijheid ook van hun ouders. De straat was veiliger en Marlies kon gewoon in haar eentje naar school lopen. Ze bekent dat ze zelf een “hysterische moeder” is geworden, die tegen haar dochter zei dat ze “heus wel alleen naar school mocht” maar haar ondertussen stiekem volgde.
Doordat veel middeninkomens uit de stad vertrekken, blijven alleen mensen met weinig of juist heel véél geld in de stad wonen. Die ouders brengen hun kind dan ook met de auto naar school. Rohmer schetst met veel humor het probleem van de backbench generation die per auto van hot naar her worden gereden: niet alleen krijgen kinderen minder beweging (en worden zij dikker), het autoverkeer neemt toe (waardoor de straat onveiliger wordt) en kinderen hebben door allerlei hobby’s ook minder tijd om buiten te spelen. Bovendien moet het buitenspelen concurreren met binnenactiviteiten als internet.

Net als Rohmer zijn ouders tegenwoordig overbezorgd. ‘Het is een symptoom van het huidige veiligheidsdenken. Alle bouwplaatsen zijn tegenwoordig omheind, terwijl wij daar vroeger gewoon stiekem naar binnen glipten. Overal staan borden die dingen verbieden en de ene waarschuwende overheidscampagne volgt op de andere. Blijkbaar wil de maatschappij dat. Je kind opvoeden is nu: kinderen behoeden. Vroeger hadden ouders meer het idee dat hun kind wel tegen een stootje kon’. Rohmer eindigt haar verhaal met een pleidooi voor “rommel en ravage”. Daarmee bedoelt ze autowrakken op een schoolplein, bouwterreinen en braakliggende stukjes stad.

‘De wereld van Teletubbies en aanharken van onze maatschappij zorgt ervoor dat een beetje scharrelen niet meer mogelijk is. Ik pleit voor rommel rotzooi en ravage, in plaats van rust, reinheid, regelmaat’
. – Marlies Rohmer

Na elk van de drie onderdelen waarin Rohmer haar verhaal heeft opgedeeld, neemt sociaal geograaf Lia Karsten het woord. Zij onderschrijft de problemen die Rohmer schetst en staaft haar tegendraadse opmerkingen met voorbeelden van onderzoek. Zoals dat ouders de straat tegenwoordig geen veilige plek meer vinden en dat ze graag controle willen over de activiteiten van hun kinderen. Dit is niet alleen de ouders aan te rekenen, maar het gevolg van een maatschappelijke trend.
De zaal is het eens over de wens van ‘ruige speelterreinen’ en is weinig gecharmeerd van ‘wipkip-veldjes’. Uit de zaal wordt Agnes Coumans namens de gemeente om een reactie gevraagd. Zij is projectleider wijkaanpak van de gemeente Nijmegen en vertelt dat er de laatste tijd veel speelveldjes zijn bijgebouwd, tot grote tevredenheid van veel bewoners. De stelregel die wordt gehanteerd is dat er 66 kinderen per speelveldje moeten zijn. Een op telbaarheid gebaseerde beleidsregel die Rohmer als “bespottelijk” van de hand doet, wat weer tot een felle discussie leidt.

Aldo van Eyck

In het tweede deel vraagt Rohmer zich af hoe de kinderen dan naar buiten moeten worden gehaald en draagt enkele stedenbouwkundige oplossingen aan. Centraal is voor haar een laag in de stad die eigenlijk vanzelf ontstaat, maar die tegenwoordig te vaak wordt aangeharkt. Als voorbeeld daarvan noemt ze krakers. ‘Krakersbolwerken worden tegenwoordig ontmanteld en dan als geciviliseerde vorm herbouwt. Een stad moet ook iets rauws hebben, iets om te ontdekken, rare hoekjes die vanzelf ontstaan. Ze kan niet bestaan uit alleen bewonerswensen en designpleinen, maar moet boven zichzelf uitstijgen.’
Als voorbeeld voor stedenbouwkundige oplossingen voor het gebrek aan veelzijdige ontmoetingsplaatsen noemt Rohmer de speelplaatsen van Aldo van Eyck uit de jaren zestig. ‘Dat waren ontmoetingsplekken voor meerdere leeftijdsgroepen, net als Engelse cafés’. Een bijkomend probleem is dat ouders geen tijd meer hebben om met hun kind naar een speelplaats te gaan. Ze werken overdag en brengen hun kind naar naschoolse opvang. Daarom zijn netwerken volgens Rohmer zo belangrijk.
Op het grootste niveau of schaal is dat een compact gebouwde stad met ruimte voor parken en volkstuintjes. De middenschaal zijn sportkooien en speelterreintjes, zoals het centrale plein van het Dobbelmanterrein waar ik me mee heb bezigggehouden.

Hoe kunnen mensen daar op straat zitten, is dan de vraag. Rohmer is faliekant tegen de sportkooien met een hek eromheen, want die kun je maar op een manier gebruiken. De plekken van Aldo van Eyck konden juist voor meerdere doeleinden gebruikt worden en zijn daarom zo aantrekkelijk. Op het middenschaalniveau spelen ook scholen een grote rol. Dat zijn plekken waar allerlei mensen elkaar ontmoeten. Kinderen en ouders komen elkaar daar tegen en die scholen moeten dus ook buiten schooltijd makkelijk toegankelijk zijn.
De kleinste schaal is die tussen bebouwing en stoep. Rohmer laat dia’s zien van het Amsterdamse project Borneo/Sporenburg dat haar bureau ontworpen heeft. De auto’s werden onder de huizen geparkeerd en de voordeuren zijn grote boerderijdeuren die direct aan de auto-vrije stoep grenzen. Bewoners leven meer op straat en ontmoet elkaar daar. Een beetje “klooien en pielen op straat” moet weer kunnen van Rohmer.
Lia Karsten vindt dat de stad eigenlijk een heel goede plek is voor kinderen. Het is niet alleen anonimiteit en gevaar zoals vaak wordt verondersteld en waardoor mensen met kinderen naar het groen verhuizen. De dichtheid biedt volgens haar juist veel voordelen voor kinderen. Zo zijn er meer kinderen in de buurt waarmee ze kunnen spelen en zijn voorzieningen dichtbij. Belangrijk is dan wel dat je de stad vormgeeft zodat kinderen daar een weg kunnen vinden. Kinderen zijn bovendien heel pragmatisch en halen uit de omgeving wat erin zit.

‘Kinderen en hun woonomgeving zijn als vissen en water. Ze willen niet zo snel uit zichzelf verhuizen, maar passen zich aan. Het zijn de ouders die vergelijken.’- Lia Karsten

Oplossingen: Het Dobbelman-terrein

Marlies Rohmer wordt gevraagd of zij reacties krijgt van kinderen op haar ideeën. Ze laat een filmpje zien met reacties van kinderen op een school die ze had ontworpen. Uitgangspunt bij het ontwerp was dat het een leuk en spannend gebouw moest worden waarin kinderen zich bovendien veilig voelen. De kinderen zijn enthousiast, alleen vinden ze de oranje toiletten wel erg felgekleurd.
‘Je kunt als architect van alles bedenken, maar kinderen zijn net mensen. Van mij mogen ze een kwast pakken en de boel overschilderen’ reageert Rohmer.
Volgens Rohmer schept een architect een kader dat mensen zelf kunnen invullen. Bij het Dobbelmanterrein wordt de openbare ruimte niet meteen ingevuld, maar laat de architect het aan de bewoners zelf om te beslissen over het budget voor de openbare ruimte.

De rotzooi zorgt volgens Rohmer juist voor stadse levendigheid. Dat gebeurt op meerdere niveaus, zoals de braakliggende terreinen, maar ook door bewoners die zelf de stoep veroveren en daar een bankje neerzetten. Voor sommigen is dat rommel, maar het hoort bij de stad. Op de vraag van Cindy Cloïn of dat binnen de kaders moet gebeuren, stemt Rohmer toe. De architect schept voorwaarden, maar mensen moeten het zelf invullen. De laag van rommeligheid is noodzakelijk voor een sociaal buitenleven en zorgt ervoor dat kinderen buiten willen spelen.

Bovenstaande uitgangspunten zijn gebruikt bij de bouw van het Dobbelmanterrein. Daarvoor werd samen met de bewoners een stedenbouwkundig model ontwikkeld, dit geval een ‘patchworkmodel’ waarbij er een aantal ingrediënten waren die heen en weer konden worden geschoven. Uiteindelijk kwamen ze allemaal op een plek en de bewoners hadden heel specifieke eisen over hoe de openbare ruimte moest worden ingedeeld.
Lia Karsten verbaast zich dat de behoeftes van kinderen meetal pas laat in het bouwproces aan bod komen. Uit een studie naar nieuwe wijken bleek dat er in bijna geen enkele wijk vanaf het begin rekening was gehouden met kinderen. ‘In oude steden heb je vaak nog mooie speelplaatsen, of pleinen, maar in een Vinex-wijk komen de klachten als de mensen er al wonen. Er moet dan opeens iets in elkaar worden gefröbelt en krijg je al snel klachten over overlast van kinderen die toch een hangplek zoeken. Als je dit vanaf het begin in je achterhoofd zou houden kun je het voorkomen.’ Dat kinderen geen plek krijgen is niet alleen omdat ze niet economisch interessant zijn. Het is volgens Karsten vooral een blinde vlek. Het is wel zo dat huizen met een grote achtertuin makkelijker verkopen, waardoor er veel ruimte verloren gaat.
Agnes Coumans wordt gevraagd hoe dat in Nijmegen bij de Waalsprong werd opgelost. ‘Bij het ontwerpen van de Waalsprong zijn er prognoses gemaakt over hoeveel kinderen er zullen komen wonen. Op basis daarvan is het bestemmingsplan gemaakt met ruimte voor speelplekken en sportvoorzieningen. We zitten nu al op 11 speelplekken en verwachten dat dat er uiteindelijk 17 zullen worden’.
‘In een stad heb je altijd verschillende lagen en belangen en die botsen regelmatig met elkaar.’ Zoals ook het probleem van de auto’s. Volgens Rohmer moeten we af van het idee dat mensen twee auto’s voor de deur kunnen parkeren. We zouden bijvoorbeeld de auto’s onder de huizen kunnen parkeren, zoals we dat bij Sporenburg hebben gedaan. Dat gaat geld kosten, maar toch moet er iets aan gebeuren. Het is net als het onderwijs, daar moet ook meer in worden geinvesteerd.
Cindy Cloïn heeft een artikel opgezocht over ‘Beter luisteren naar wensen van kinderen’ uit 1995 waarin Lia Karsten bijna dezelfde dingen vertelde als op deze avond. Zij vraagt zich af of er over tien jaar weer dezelfde discussie zal worden gevoerd.
Lia Karsten: ‘Voor kinderen en buitenruimte is nog geen wettelijke norm en dat klinkt ook wat eng, maar dat zou er wel voor zorgen dat je aan het begin van een bouwproces denkt aan kinderen. Dan krijg je minder vaak dat men aan het einde van het bouwen denkt “wat moeten we eigenlijk doen met de kinderen?”

icon for podpress  pdf-versie: Download

  1. 1 Wie geeft de straat weer terug aan de kinderen? at Ruimte in LUX


Schrijf een reactie





abonneer op deze feed itunes.gif

Agenda


    • No events.
Helaas, de agenda doet het even niet. Zie de algemene agenda van LUX voor de debatten die LUX organiseert, waaronder ook de Ruimte!-programma's.

E-mailnieuwsbrief



Vul uw e-mailadres in voor een abonnement op de maandelijkse Ruimte!-nieuwsbrief.