Mogen Nijmeegse wijken op slot voor allochtonen?
Lees meer over: Nijmegen, segregatie, Talis.Datum: 27 juni 2005
Sprekers: Paul Depla (Wethouder Ruimte, Wonen en Sport in Nijmegen), Senay Akdemir (Voorzitter van de Adviescommissie Allochtonen), Cees Strik (Directeur Talis Woondiensten), Aart Cooiman (Regiodirecteur Portaal), Bas Claasse (NVM Makelaars Nijmegen), Marjolein van den Brink (Lid Commissie Gelijke Behandeling) Hans Werdmölder (Criminoloog/Antropoloog Universiteit Utrecht)
Gespreksleiding: Piet-Hein Peeters en Jeroen Gradener
Verslag: Willem Dudok
Om de dreigende tweedeling in Nijmegen - in een oostelijk autochtoon en een westelijk allochtoon deel – een halt toe te roepen, zoekt het Nijmeegs College van B&W naar effectieve maatregelen. Eén van de mogelijkheden vormt spreiding van allochtonen en autochtonen, door aangepassingen in het toewijzingsbeleid voor woningen. Bepaalde wijken zouden dan ‘op slot’ gaan voor allochtone huurders, andere wijken juist voor autochtone huurders. In LUX werd gesproken over noodzaak, wenselijkheid, haalbaarheid en effectiviteit van een dergelijke maatregel.
Tijdens de Algemene Beschouwingen, in de periode na de moord op Theo van Gogh, werd door de hele Nijmeegse Gemeenteraad de urgentie gevoeld van maatregelen om een scheiding tussen wit en zwart in de stad te voorkomen,” vertelt wethouder Paul Depla in zijn inleidende presentatie. Om die reden werd is in opdracht van de Gemeente onmiddellijk een onderzoek gestart om het probleem in Nijmegen te inventariseren, maar ook om te bezien hoe de toekomst van de stad eruit zou zien bij gelijkblijvend beleid. De doelstellingen van het College zijn daarbij duidelijk, aldus Depla: “Het tegengaan van de tweedeling in een wit en een zwart deel, en het ontwikkelen van sterke wijken, waar mensen elkaar ontmoeten en samenleven.”
De wethouder gaat vervolgens in op een aantal uitkomsten uit het onderzoek.
• Nijmegen telt zestien procent niet-westerse allochtonen, voornamelijk Turken (met name in Wolfkuil, Hatert en Nijeveld), Marokkanen (met name in Dukenburg en Oud-West) en Antillianen (met name in Dukenburg en Lindenholt). Wie de kaart bekijkt, kan duidelijk witte wijken (<11% allochtonen) en ‘concentratiewijken’ (>21% allochtonen) onderscheiden: witte wijken liggen met name in het Centrum, Nijmegen-Oost en Nijmegen-Noord (De Waalsprong), de concentratiewijken zijn met name te vinden in Dukenburg, Lindenholt en Nijmegen-West. Opvallend is dat die verdeling ook terug is te zien in kaartjes voor het percentage LPF-stemmers in 2002, de uitslag van het referendum voor de Europese Grondwet en het percentage inwoners met een laag opleidingsniveau.
• Verkleuring van de wijk heeft een aantal oorzaken: geboortecijfer, sterftecijfer, migratie in de wijk en migratie uit de wijk. In de gehele stad neemt het percentage allochtonen toe, maar in de concentratiewijken het hardst. Neem bijvoorbeeld Hatert, met veel jong allochtonen en oudere autochtonen. Die wijk gaat vanzelf verkleuren, omdat jonge allochtonen kinderen krijgen en oudere autochtonen sneller overlijden. Migratie naar de wijk heeft te maken met het aanbod van woningen, met de verdeling van de huurwoningen, migratie uit de wijk komt met name voor omdat mensen zich er niet meer thuisvoelen, omdat er geen woningen zijn die ze willen of omdat ze denken dat het elders in de stad beter is.
• De afgelopen drie jaar is het percentage allochtonen gestegen van 15 naar 16 procent. Het percentage neemt in alle wijken toe, alleen in de concentratiewijken is dat sterker dan in andere wijken. Dat heeft vooral te maken met een geboorteoverschot onder allochtonen en een vertrekoverschot onder autochtonen, de zogenaamde ‘witte vlucht’. In de witte wijken neemt het ook wel toe, maar minder, wat te maken heeft met een migratieoverschot onder allochtonen.
• Wanneer dat beeld wordt doorgetrokken naar 2015, zie je in de wijken Nijeveld, Hatert, Neerbosch-Oost, Meijhorst, Aldenhof en Malvert een percentage allochtonen van meer dan 30 procent, en in de Meijhorst van meer dan 40 procent. Waalsprong, Centrum en Oost hebben dan minder dan 10 procent allochtonen. In ’t Acker, ’t Broek en Zwanenveld vertrekken de meeste autochtonen en vestigen zich in Oosterhout, Galgenveld, Hengstdal, Groenewoud en Centrum.
• Op buurtniveau zijn de verschillen nog groter: er zijn buurten met minder dan 5 procent en wijken met meer dan 76 procent allochtonen (Meijhorst 2). De buurten met veel allochtonen zijn met name gelegen in Dukenburg, Lindenholt en Nijmegen-West, die met weinig in Oost.
• Voornaamste conclusies: de verkleuring gaat geleidelijk, maar er wordt een duidelijke scheidslijn in de stad zichtbaar: verwitting rond het centrum, Oost en de Waal, verkleuring in West en de buitenwijken. Die scheidslijn valt met andere scheidslijnen samen, waarbij locatie steeds belangrijker wordt: waar je woont, geeft ook aan of je kansrijk of kansarm bent. In buurten zijn de verschillen nog groter dan in de wijken. De verkleuring komt ook door de witte vlucht.
Vervolgens is het onderzoek toegespitst op het vraagstuk van woonruimteverdeling:
• De 16 procent allochtonen huren 20 procent van de beschikbare huurwoningen. Daarvan is 40 procent gelegen in concentratiewijken (veel grote, betaalbare woningen), 45 procent in gemengde wijken en 15 procent in witte wijken (veel kleine, betaalbare woningen).
• Wie slagen er in hun zoektocht naar een geschikte huurwoning? Autochtone geslaagden zijn vaker alleenstaand, ouder en vaker doorstromer dan allochtonen. Allochtonen slagen met 7 jaar meettijd, autochtonen met 12 jaar meetttijd. 20 procent is dus allochtoon: in de concentratiewijken 25 procent, in de witte wijken 10 procent. De manier waarop woningen worden verdeeld, lijkt dus van invloed te zijn op de verkleuring: in de Kamp, Malvert en Aldenhof worden relatief meer woningen toegewezen aan allochtonen, dan er allochtonen wonen. In Bottendaal, Sint Anna, Altrade, Centrum, Grootstal, Weezenhof en Brakkenstein is het juist andersom: relatief meer toewijzingen aan autochtonen, dan dat er autochtonen wonen.
• Echter: uit het onderzoek van Regioplan blijkt geen oorzakelijk verband tussen meettijd en ongelijk spreidingspatroon. Ook etniciteit of leeftijd verklaart dat patroon niet. Etnische segregatie kan dus niet worden afgeremd door die criteria aan te passen.
• Maar wat dan wel? Een gedifferentieerd aanbod in de wijken realiseren door sloop, vervangende nieuwbouw en verkoop. Prestatieafspraken tussen de Gemeente en Corporaties over het aantal bereikbare huurwoningen en de spreiding daarvan. En: spreiding door middel van woonruimteverdeling.
• Voor dat laatste middel is een aantal instrumenten mogelijk: opplussen van de meettijd voor bepaalde groepen in bepaalde wijken, dat kan ook door te werken met een inkomenstabel. Ook zou het systeem van meettijd kunnen worden vervangen door loting, waarbij iedereen evenveel kansen krijgt op woningen. In Winterswijk en bepaalde wijken van Enschede schijnt dat al goed te werken. Het vierde instrument –en het voornaamste onderwerp van debat- zou inhouden om in erg zwarte buurten de woningtoewijzing aan allochtonen te verminderen of stop te zetten en hetzelfde te doen voor de woningtoewijzing voor autochtonen in erg witte wijken. Geen enkele maatregel is makkelijk of snel, maar als we niets doen ontstaan er duidelijk witte en zwarte wijken. Het College legt zich daar niet bij neer.
Senay Akdemir, Cees Strik, Aart Cooiman en Bas Claasse reageren uitgesproken negatief op het vierde instrument van Paul Depla, spreiding op grond van etniciteit. Akdemir, voorzitter van de Nijmeegse Adviescommissie Allochtonen, is tegen: “Omdat het leidt tot verdere stigmatisering van allochtonen. Bovendien is het uitgangspunt verkeerd: we zouden moeten praten over sociaal-economisch zwakke en sterke wijken, in plaats van over witte en zwarte.” Bas Claasse van NVM Makelaars is blij dat Depla eigenlijk erkent dat zijn voorgangers hebben gefaald in het Nijmeegse huisvestingsbeleid, maar vindt dat spreiden op etniciteit het werkelijke probleem maskeert: “Als je wijken herstrucureert, zoals in de Wolfskuil, moet je zorgen dat de oude bewoners daar terugkeren. Dát leidt tot een goede verdeling, en tevredenheid over de wijk. Maar het gaat ook over winkelvoorzieningen en welvaartsvoorzieningen in wijken: mensen voelen zich vaak niet meer thuis. Daar ligt veel meer de verantwoordelijkheid voor de Gemeente.” Ook Talis-directeur Cees Strik is tegen: “Wat wij merken in de buurten waar we wat aanpassingen hebben gedaan in toewijzingsbeleid, is dat etniciteit geen rol speelt in de problemen die daar zijn. En dus kiezen wij er niet voor om dat een factor te laten zijn in de woonruimteverdeling.” Aart Cooiman, regiodirecteur van Portaal, sluit zich bij hem aan: “Ik vind onderscheid op kleur volstrekt niet relevant en daarmee onacceptabel. Je wordt ermee geboren en je gaat ermee dood: alleen het gedrag dat je in de tussentijd vertoont, kun je beïnvloeden.” Nijmegen is bovendien altijd verdeeld geweest, zegt Cooiman: “Als plannen gaan raken aan keuzevrijheid, is daarom een lichte verdeeldheid voor mij wel te accepteren.”
Ook in de zaal is een overgrote meerderheid tegen spreiding op basis van etniciteit. Slechts één persoon vindt het een goed idee, een handvol mensen zegt nog te twijfelen. Vervolgens is het woord aan onderzoeker Hans Werdmölder. Hij is “duidelijk voor” en vindt het een moedig voorstel van Paul Depla. “In grote steden als Rotterdam en Amsterdam is het probleem al veel groter, omdat er niet op tijd is ingegrepen. Dan krijg je een grote concentratie allochtonen, wat leidt tot een concentratie van factoren: een concentratie illegalen, zwarte scholen, daardoor ontstaat een witte vlucht. Wat overblijft zijn de wat asocialere Nederlandse gezinnen en ouderen die niet meer wegkunnen. Het leidt tot een concentratie van criminaliteit, tot angst en wederzijdse haat in de straat. Wat je nu doet, bespaar je twintig jaar later.”
“Ik ben een voorstander van menging,” vervolgt Werdmölder: “Als je kijkt naar succesvolle Marokkanen, dan komen die vaak uit dorpen, met kleine concentraties allochtonen. Je vermindert de problematiek door ze uit elkaar te halen; dat is niet alleen in het belang van de autochtone meerderheid, maar de allochtone minderheid krijgt zo ook meer kansen.”
“Met alleen spreidingsbeleid los je niet alle problemen op, dat wil ik niet beweren. Het probleem is zowel etniciteit als laag opgeleid zijn. De factor etniciteit zit hem in de opvoeding, in het feit dat je de taal spreekt of niet, het ongedwongen omgaan met elkaar, maar ook bijvoorbeeld religie,” zegt Werdmölder: “Bovendien, als je niets doet, dan zie je dat ook de kansrijkere, weerbare allochtonen gaan wegtrekken uit de wijk. Dan ben je nog verder van huis.”
De concentratie van allochtonen, in combinatie met een lage opleiding, maakt dat je daardoor criminaliteit krijgt, dat het sociaal weefsel in de wijk wordt aangetast, dat er taalproblemen ontstaan, dat mensen zich bedreigd voelen en dat er zwarte scholen ontstaan, is dus de conclusie van Werdmölder. “Maar in autochtone wijken, met veel kansarmen, heb je dezelfde problemen,” zegt Aart Cooiman: “Ik vraag me af of de kleur echt iets toevoegt. Het voelt in elk geval niet goed.” Cees Strik wil het verhaal van Werdmölder enigszins nuanceren: “Nijmegen is niet vergelijkbaar met Rotterdam, we hebben hier bij lange na niet zoveel allochtonen. Bovendien gaat het om mensen die in een achterstandssituatie zitten. De beste sociale-dienstmensen, de beste reïntegratiebureaus moeten naar de achterstandswijken. Dáár moet in worden geïnvesteerd.” Strik ziet het spreidingsinstrument sowieso niet zitten: “Keuzevrijheid is een groot goed, en er zijn onvoldoende aanwijzingen dat dat systeem nu op de schop zou moeten. Niet voor spreiding op etniciteit en ook niet op kansarmen.” De kern van het verhaal zit namelijk nog steeds ergens anders, vindt Bas Claasse van NVM: “Het gaat om het leefklimaat. Je moet zorgen dat mensen zich thuisvoelen in een wijk, dan gaan ze niet weg. Ik geloof dat het aantal allochtonen helemaal niks uitmaakt.” Cees Strik is het met hem eens: “Zo lang de mensen die er wonen maar aansluiting hebben bij de rest van de maatschappij.” Senay Akdemir noemt daarnaast nog investeren in arbeid: “Naast investeren in leefbaarheid werkt dat ook. Maar wel op de lange termijn.”
Pieter Bol kan de situatie in Nijmegen goed vergelijken met die in Rotterdam: hij is daar woonexpert. Wat opvalt, vindt hij, is dat de discussie snel heftig wordt: “Het is lastig om gevoelens en techniek uit elkaar te houden.” De discussie in Rotterdam begon in de jaren zeventig, toen er vijf procent allochtonen woonde. Men wilde toen niet meer dan vijf procent allochtonen per wijk, maar dat mocht niet van de Kroon. In de jaren tachtig is geprobeerd om allochtonen voorrang te geven in bepaalde wijken, maar dat werkte niet: men wilde blijven in de stadsvernieuwingswijken, waar de nieuwe woningen werden gebouwd. In de jaren negentig zijn we gaan werken met een vrije keuze van woning. Opvallend is dat vanaf toen de spreiding is verbeterd, al kwamen er natuurlijk wel steeds meer allochtonen bij.” In de zomer van 2003 is een nieuwe bevolkingsprognose uitgekomen, waarop toen heftig is gereageerd. Bol: “Over een jaar of tien zouden we zitten op 50 procent allochtonen, met wijken tot 100 procent.” Het College van B&W in Rotterdam ontwikkelde vervolgens het plan ‘Rotterdam zet door’, in de zomer van 2003. “Daarbij is nadrukkelijk gesteld dat het gaat om de bestrijding van probleemcummulaties. De invalshoek is sociaal-economische problematiek,” vertelt Bol: “Er is nadrukkelijk gesteld: het probleem heeft geen kleur.” Bij de toewijzing van woningen kijkt Rotterdam naar de hoogte van het inkomen,” aldus Bol: “We kijken alleen nog naar een minimuminkomen, om binnen te komen dient men tenminste 120 procent van het minimumloon te verdienen. Daarnaast proberen we mensen die het goed doen vast te houden in de wijk, om zwarte vlucht te voorkomen.”
Rotterdam heeft het kabinet gevraagd of men voortaan ook mag kijken naar de bron van het inkomen: uitkering of werk. In de na-oorlogse wijken bouwt Rotterdam voornamelijk middelduur en duur, in de omliggende gemeenten is er de afspraak dat zij voornamelijk goedkoop gaan bouwen: “Spiegelbeeldig bouwen begint vorm te krijgen.”
De Commissie Gelijke Behandeling onderzocht of de Rotterdamse plannen (met name voor wat betreft de 120-procent-regel) niet in strijd waren met de wet. Marjolein van den Brink kan er nog niet teveel over zeggen, omdat het rapport nog niet is gepresenteerd. Wel is ze uitermate duidelijk over de titelvraag van het debat: “Die is heel gemakkelijk te beantwoorden: nee.” Indirect onderscheid, zoals in Rotterdam, is echter niet per definitie verboden: “Je moet dan kijken of er een rechtvaardiging voor is, daarvoor moet het doel legitiem zijn. Wat ik hier iedereen hoor zeggen is: dat we allemaal een beetje verspreid door de stad wonen, dat is wel okee. Maar als individu vinden we niet dat we weggezet mogen worden vanwege ons kleurtje. Dat is natuurlijk paradoxaal: aan de ene kant zeggen we dat het niet uitmaakt, maar aan de andere kant gaan we mensen juist op kleur of nationaliteit beoordelen.” Andere criteria die de Commissie in haar beoordeling hanteert zijn geschiktheid van het middel, en noodzakelijkheid: “Het doel in Rotterdam is legitiem: het is niet discriminerend en het voldoet aan een behoefte. Het middel is ook in beginsel geschikt, maar dan krijg je noodzakelijkheid: dat is niet alleen of er geen andere geschikte middelen zijn, maar ook of het proportioneel is. Dat gaat ook over de impact die het heeft op het individu. Hoe komt het nou dat wijken zwarter worden, waarom gaan de mensen die daar wonen zelf niet weg?” Ook tijdelijke spreiding op grond van etniciteit is geen optie, zegt Van den Brink: “Al zou de Nederlandse wetgever een uitzondering maken, dan komen we in de problemen met de Verenigde Naties.”
Paul Depla trekt een aantal conclusies uit het debat: “Het streven naar een ongedeelde stad, het investeren in wijken en het gelijkmatig spreiden van huren: daarover is in elk geval overeenstemming. Het tweede wat opviel, is de groef waarin het debat direct terechtkomt: dat spreiding de positie van allochtonen sterk zou aantasten. Dat begrijp ik ook wel, vanuit het verleden, maar het gaat uiteindelijk over formele keuzevrijheid en feitelijke keuzevrijheid. Er zijn kennelijk ondoorzichtige en ongedefinieerde regels in de stad, waardoor we ons kunnen verschuilen achter formele keuzevrijheid, maar waar feitelijk sprake is van een scheiding. Met het gevoel van de heer Claasse kan ik niet zoveel: als we niks doen, discrimeren we namelijk in feite ook.” Spreiding op basis van etniciteit zou positief kunnen werken voor allochtonen, denkt Depla: “Ik denk dat we daarmee de positie van allochtonen in de stad, met name in Oost en Centrum, enorm zouden versterken.” Cees Strik wil eerst verder onderzoek naar feitelijk zoekgedrag en de redenen die daar aan ten grondslag liggen: “Uit het onderzoek van Regioplan blijkt ook dat meettijd maar heel weinig effect heeft op de keuze voor de woningen. Als je kijkt naar Oost, daar hebben de corporaties heel veel kleine woningen: allochtonen hebben juist meer vraag naar grotere gezinswoningen.” Cooiman is het met hem eens, Claasse vindt dat er ook meer kwalitatieve woningen gebouwd moeten worden: “Zodat er doorstroming kan ontstaan, zodat de allochtoon die door wil ook door kán. Dan krijg je ook die mutatie.”
Dat is natuurlijk waar, vindt ook Depla: “Toch blijft de vraag of je de positie van allochtonen op de woningmarkt niet kunnen verbeteren en versterken door een aantal van dit soort maatregelen te overwegen.” Vanuit de zaal kan Tugay Tankir, directeur van InterLokaal, meegaan in het verhaal van Depla: “De achterstand van allochtonen heeft met twee dingen te maken: autochtonen weten beter dat ze zich vroeg moeten inschrijven, zodat ze geschiedenis opbouwen en een keuze hebben. Het tweede is dat de nieuwkomers op de woningmarkt met name studenten en allochtonen zijn. En waar komen de meeste huizen vrij? Vooral in de randwijken.” Portaal-regiodirecteur Cooiman heeft er moeite mee om middels woningtoewijzing allochtonen een voorsprong te geven in de witte wijken: “Er zit nog een ander element in: wat gaat die autochtoon vervolgens doen? Die gaat niet naar Hatert, niet naar Neerbosch-Oost, die trekt weg. Ik weet niet of dat een effect is dat deze stad moet willen.” Depla vindt dat te gemakkelijk: “Eén is natuurlijk: investeren in de wijken, zodat het voor kansrijken aantrekkelijk is om te blijven of te komen. Het tweede is: zorg voor gelijkmatige huren, overal in de stad. Daar ga ik graag een keer met de directeuren van de corporaties in gesprek. Het derde is de discussie over de criteria voor de huurtoewijzing, we moeten bekijken hoe we ook daar gelijke kansen mee kunnen bewerkstelligen. De gedachte dat alles zo ook wel goedkomt, heb ik losgelaten. Dat is helaas een illusie.”
In samenwerking met de Gemeente Nijmegen.
Agenda
- No events.
E-mailnieuwsbrief
Vul uw e-mailadres in voor een abonnement op de maandelijkse Ruimte!-nieuwsbrief.

Artikel-feed Trackback
Even geduld...
Schrijf een reactie