Datum: 26 mei 2005
In samenwerking met: NVOB Cultuurfonds
Sprekers: Arno Boon, BOEI (stichting voor Behoud, Ontwikkeling Exploitatie van Industrieel erfgoed); Stef Cuppens, voorzitter NVOB cultuurfonds; Paul Depla, wethouder Ruimtelijke Ordening Nijmegen; Marco van der Wel, 024 Architecten; Yop Segers, publicist; Jan Bout, voorzitter van de Raad van Bestuur van Royal Haskoning.

Gespreksleider: Jaap Modder
Verslag: Peter Staal
Nijmegen kende vanaf de vroege twintigste eeuw een rijke maakindustrie, die zich voor het grootste deel aan de Waal en de Waalhaven bevond. Met het verdwijnen van deze industrie in de loop der jaren zijn tevens waardevolle monumentale gebouwen en infrastructuur verloren gegaan. Inmiddels is het besef doorgedrongen dat het industriële erfgoed dat nog resteert zorgvuldige aandacht verdient. Op 26 mei 2005 organiseerde LUX op initiatief van NVOB cultuurfonds een debat over de vraag of, en zo ja hoe dit erfgoed behouden moet worden voor de toekomst.


“Nijmegen is nooit een echte industriestad geweest zoals Enschede of Eindhoven”, legt publicist Yop Segers uit. Hij kan hiervoor genoeg redenen aangeven: De slechte verbindingen van de stad, de gebrekkige ondernemersgeest van het gemeentebestuur en de afwezigheid van grote banken. Maar met name de beperkingen die de status van vestingstad in de negentiende eeuw met zich meebrengt, hielden de ontwikkeling van industrie tegen. Segers: “Nijmegen was overvol en kon niet meer groeien. Buiten de stadswallen mochten geen gebouwen verrijzen die bij eventuele belegering de vijand gelegenheid tot dekking konden geven. Dit ruimtegebrek verhinderde de komst van grote bedrijven.”
De opheffing van de vestingstatus maakte in 1874 eindelijk de weg vrij voor bedrijven om zich te vestigen. Het bleef echter bij de vestiging van enkele bedrijven in de directe omgeving van de haven. Er waren immers geen vakbekwame arbeiders en noemenswaardige industriepolitiek die een verdere uitbreiding konden stimuleren. “Later vestigden zich natuurlijk wel papierfabrieken, metaalverwerkende bedrijven en talrijke electrotechnische industrieën,” tekent Segers erbij aan, “maar ondanks de komst van die bedrijven bleef de industriële werkgelegenheid in Nijmegen bedroevend laag. In 1930 was slechts 45 procent van de beroepsbevolking werkzaam in de nijverheid.”
Segers is het met debatleider Jaap Modder eens dat het industriële tijdperk van Nijmegen niet heel veel voorstelt, maar wil toch pleiten voor behoud van dit erfgoed. Juist met de weinige oude industriegebouwen van Nijmegen moet spaarzaam worden omgesprongen.
In de praktijk kan het soms knap lastig zijn om deze vaak onrendabele gebouwen te herbestemmen en ze op die manier te behoeden voor sloop. Arno Boon heeft daar, in zijn hoedanigheid als directeur van de stichting voor Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel erfgoed (BOEI), de nodige ervaring mee. Zijn non-profit stichting BOEI is voornamelijk belast met de heel moeilijke klussen waaraan nog allerlei problemen van bouwtechnische, bestuurlijke of politieke aard kleven. Boon: “Onze prioriteit ligt bij het verwerven, restaureren en een nieuwe bestemming geven van gebouwen, waarna we deze exploiteren.” Boon merkt dat van alle provincies alleen Gelderland en Overijssel aandacht besteden aan het herbestemmen van industrieel erfgoed. Terwijl het volgens hem juist ontzettend belangrijk is dat provincies of gemeenten het voortouw hierin nemen door op tijd met een goed, onafhankelijk haalbaarheidsonderzoek naar herbestemmen te komen. Vooruit kijken en snel handelen geven herbestemmen de grootste impuls. Geld bij elkaar krijgen lukt meestal wel. Boon: “Het vinden van een goede functie voor de gebouwen is eigenlijk het meest lastige aspect. Je moet het dekseltje bij het potje zien te vinden. Herbestemmen kan een enorme vlucht nemen op het moment dat je weet voor wie je het precies doet. Je kan dan een architect direct al op de goede manier aansturen” Boon maakt door talrijke voorbeelden inzichtelijk dat herbestemmen een erg lastige zaak is die onder andere gehinderd wordt door de vele partijen en wetten waar je rekening mee moet houden en door de talrijke bouwkundige beperkingen. Hij hamert er tot slot nog eens op dat het essentieel is om er vroegtijdig bij te zijn. Boon: “We zien vaak dat wanneer een locatie al verkocht is, dat dan pas de strijd losbarst. Dan komen er plotseling de stukken in de krant die pleiten voor het behouden ervan, terwijl de koper op dat moment al een bedrijfseconomische doelstelling heeft voor de bewuste locatie. Daarom is het zo belangrijk dat gemeenten er pro-actief mee bezig zijn. Dus niet pas een gebouw aanwijzen om te beschermen als het bedrijf ermee ophoudt, want dan is het vaak al verkocht. Dit moet al in een veel eerder stadium gebeuren.”
Jan Bout, voorzitter van de Raad van Bestuur van Royal Haskoning denkt dat het bij de gemeente Nijmegen schort aan een fatsoenlijke inventarisatie van het aanwezige industriële erfgoed. “Je moet een lijst met gebouwen hebben. Daarbij moet je weten wat je ermee wil en of de gebouwen zich daarvoor lenen. Daar moet je dan aan gaan werken. Ik denk dat het goed is als de stad Nijmegen waarde toekent aan het industriële verleden en probeert om dit als een onderdeel van de stad te behouden.”
Wethouder Paul Depla van de gemeente Nijmegen erkent de waarde van het industriële erfgoed wel, maar wil duidelijk stellen dat de prioriteit van de gemeente hier niet ligt. “Je moet kijken naar wat Nijmegen echt uniek maakt. Dan kom je tot de conclusie dat het Romeinse verleden en de wederopbouwarchitectuur Nijmegen onderscheidend maken van andere steden. Daar leggen we het accent, waarmee ik niet wil zeggen dat het industriële erfgoed niet belangrijk is voor Nijmegen.” Als het gaat om behouden van dit erfgoed kan Depla zich vinden in de door Boon geschetste pro-actieve houding van de gemeente. Depla: “De overheid moet een actieve grondpolitiek voeren en niet bang zijn om eigenaar van gebouwen te worden. Ook in het Waalfront moet de gemeente erbij zijn om te proberen het aanwezige erfgoed daar te verwerven.”
Voorzitter van het NVOB Cultuurfonds Stef Cuppens vindt de herontwikkeling van het industriële erfgoed nu juist bij uitstek een passende opgave voor het bedrijfsleven. “Het zijn over het algemeen kleinschalige projecten waarbij maar minimale investeringen nodig zijn. Daartoe zijn aannemers ook heel goed zelf in staat. Ik roep hen daarom ook op om te kijken wat de mogelijkheden zijn om industrieel erfgoed te ontwikkelen. Het Trafo-gebouw op de Weurtseweg bijvoorbeeld is een perfect kantoorgebouw, waar je bij wijze van spreken morgen in kunt trekken. Het bedrijfsleven moet geprikkeld worden om deze zaken zelf op te pikken.”
Depla wil benadrukken dat de overheid ook pas moet inspringen als de markt het laat liggen. Depla: “Vanuit een grondpositie kun je als overheid actief sturing geven. Maar de overheid moet de zaken vervolgens niet zelf in handen willen houden. De ontwikkeling moet door de markt worden gedaan.”
In het publiek merkt iemand op dat de gemeente vroegtijdig moet inventariseren welke gebouwen ze voor de toekomst wil behouden, om voor deze panden - ook wanneer ze geen monumentenstatus hebben - sloop te voorkomen. Depla vindt het in sommige gevallen inderdaad zonde wanneer een onbeschermd gebouw tegen de vlakte gaat. Depla: “Maar ook eigenaren hebben rechten, anders wordt het willekeurig. Er heeft immers al een commissie over geoordeeld. Als die commissie vindt dat het niet beschermenswaardig is, wie zijn wij dan als politici om het alsnog te beschermen. Hier hebben we de deskundigen voor.”
Volgens architect Marco van der Wel vormt het beschermen van panden juist het probleem. Want hoe stel je nu al iets veilig dat pas in de toekomst als industrieel erfgoed van belang gaat worden? “We hebben kunnen zien dat bij verlies van de oorspronkelijke functie dit soort panden vaak bewoond werd door krakers, terwijl grote partijen het erfgoed vaak links lieten liggen.” Een terechte opmerking vindt Depla: “Waar het om gaat is hoe je een tijdelijke bestemming aan panden kunt geven die je wilt behouden. Want vaak is een definitieve bestemming nog onduidelijk.” Hier ontstaat al meteen een lastig spanningsveld. “De overheid geeft zo’n gebouw vaak aan kunstenaars op het moment dat ze niet weet wat ze ermee moet. Tegelijkertijd staat het bestemmingsplan deze vorm van gebruik vaak niet toe”, aldus Depla. ” Je bent als overheid dan gedwongen hiertegen op te treden. Al was het maar omdat de omgeving hierop aandringt. Maar wanneer je het bestemmingsplantechnisch helemaal zorgvuldig wilt regelen, haal je de hele schwung uit de ontwikkeling van zo’n gebouw. Wat ook nadelig is voor een eventuele herbestemming.”
Boon haakt hier in zijn slotwoord nog eens op in. Hij denkt dat het uiteindelijk gewoon een kwestie van willen is om dit georganiseerd te krijgen.


  1. Geen reacties

Schrijf een reactie





abonneer op deze feed itunes.gif

Agenda


    • No events.
Helaas, de agenda doet het even niet. Zie de algemene agenda van LUX voor de debatten die LUX organiseert, waaronder ook de Ruimte!-programma's.

E-mailnieuwsbrief



Vul uw e-mailadres in voor een abonnement op de maandelijkse Ruimte!-nieuwsbrief.