Dit opiniestuk van Barrie Needham verscheen op woensdag 20 december 2006 in NRC Handelsblad. Het is gebaseerd op de lezing die hij hield in het debat ‘Gelderse Bedrijventerreinen en de verspillingg van het open landschap’ in LUX van 18 december 2006. Klik hier voor alle artikelen van Ruimte! over bedrijventerreinen.
Er zijn te veel bedrijfsterreinen. Dat komt omdat iedere gemeente goedkoop grond ter beschikking stelt om de lokale economie te stimuleren. Maar Nederland als geheel wordt hier niet beter van. Hier ligt een taak voor provincies, betoogt Barrie Needham.
Ontelbare ‘omgevallen blokkendozen’ ontnemen met name langs de snelwegen het zicht op het Nederlandse landschap. Sommige regio’s van Nederland stellen maar liefst zes- tot negenmaal méér bedrijventerreinen beschikbaar dan strikt noodzakelijk is, zo bleek uit onderzoek van Stichting Natuur en Milieu en de provinciale milieufederaties. De vraag of al die nieuwe bedrijventerreinen wel noodzakelijk zijn is geheel gerechtvaardigd: de bedrijfskavels groeien veel sneller dan de werkgelegenheid. Waar heeft Nederland dan in vredesnaam al die nieuwe bedrijventerreinen voor nodig?
Nieuwe bedrijventerreinen bieden voornamelijk huisvesting aan bedrijven die een bestaande lokatie in dezelfde regio verlaten; de markt voor bedrijfsruimte is bovenal een vervangingsmarkt, géén uitbreidingsmarkt. Bedrijventerreinenbeleid is een lokale aangelegenheid, overigens geheel in lijn met het gevleugelde motto van de laatste Nota Ruimte, ‘Decentraal wat kan, centraal wat moet’. Gemeenten zien het als hun taak en verantwoordelijkheid dat een bedrijf te allen tijde en terstond nieuwe grond kan krijgen, uiteraard onder voor het bedrijf gunstige voorwaarden en tegen misschien niet gesubsidieerde, maar toch ook zeker geen commerciële prijzen.
Schrijnend is dat bestaande gebouwen hierdoor gemakkelijk worden verlaten: bedrijven zien geen reden om hun bestaande pand te vernieuwen, de panden zelf worden licht gebouwd en niet erg goed onderhouden. Gevolg: meer dan een kwart van de bestaande bedrijventerreinen – samen goed voor ruim vijfentwintigduizend hectare grondoppervlak – is verouderd. De kosten voor herstructurering zijn vaak dermate hoog dat gemeenten liever nieuwe terreinen aanleggen dan de bestaande oplappen.
Vastgesteld kan worden dat bedrijventerreinen hierdoor een onnodig groot beslag leggen op de open ruimte. Om dit probleem op te lossen is het zaak de motieven van lokale overheden te begrijpen. Sommige gemeenten beschouwen het aanleggen van bedrijventerreinen als wapenfeit dat van krachtdadig bestuur getuigt, vanuit de meer op geloof dan op kennis gebaseerde verwachting dat een nieuw terrein zal leiden tot groei van de lokale werkgelegenheid en de economie. Maar de winst voor de ene gemeente is het verlies van de andere – de regionale noch nationale economie is ermee geholpen.
De lokale overheden worden geplaagd door een prisoner’s dilemma: geen enkele gemeente zal als eerste hogere eisen (en prijzen) gaan stellen aan bedrijven, uit angst dat deze verhuizen naar een buurgemeente. Dit mechanisme moet dan ook van bovenaf worden doorbroken. Dit is geen taak voor de rijksoverheid; het zijn de provinciale (en, indien van toepassing, regionale) overheden die moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor een goede ruimtelijke ordening voor de regio. In de uitvoering hiervan moeten ze hun bevoegdheid om bestemmingsplannen af te keuren veel kritischer toepassen. Het is aan hen om de lokale bouwdriften te beteugelen en te zorgen voor een op nuchtere prognoses gebaseerd beleid dat recht doet aan lokale wensen, maar bovenal is gericht op een evenwichtige economische ontwikkeling van de regio.
Daarenboven is het echter de vraag of het überhaupt een overheidstaak behoort te zijn om bedrijfsgrond te verstrekken. Als de vraag van bedrijven naar grond te zwak is om commerciële ontwikkelaars te trekken, luidt de enig mogelijke conclusie dat de grondprijs te laag is als gevolg van een overaanbod door gemeenten. Die zouden daarom niet langer zelf bedrijventerreinen moeten aanleggen, maar dit aan de markt overlaten. De waarde van die terreinen zal dan stijgen, wat de noodzaak voor intensief ruimtegebruik, duurzaam bouwen en goed onderhoud alleen maar zal vergroten.
Daarmee is het probleem van de huidige ruim 25 duizend hectare verouderde bedrijventerreinen nog niet uit de weg geruimd. Een oplossing hiervoor is het instellen van een heffing op nieuw uit te geven bedrijventerreinen, die ten goede moet komen aan de opwaardering van verouderde terreinen. De zogenaamde grondexploitatiewet die momenteel bij het parlement ligt biedt daartoe mogelijkheden. Veroudering van nieuwe terreinen ten slotte kan worden voorkomen door bedrijven een borgsom te vragen, die kan worden gebruikt voor sanering of sloop na vertrek. Als het terrein commercieel wordt aangelegd, is te verwachten dat een commerciële ontwikkelaar en exploitant deze zaak in zijn eigen belang wil regelen, door met de bedrijven op het terrein privaatrechtelijke overeenkomsten over onderhoud en beheer aan te gaan.
De wildgroei van versnipperde bedrijventerreinen aan Nederlandse snelwegen en rond dorpskernen weerspreken de ogenschijnlijke logica en simpliciteit van ‘Decentraal wat kan, centraal wat moet’. Sommige dingen kúnnen misschien wel decentraal, maar moeten misschien toch ook deels centraal worden geregeld. Want met een land vol lelijke nieuwe en nog lelijker leegstaande bedrijventerreinen is geen enkele zaak gediend.
Barrie Needham is hoogleraar Planologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit is een bewerkte versie van de lezing die hij maandag 18 december hield in LUX in Nijmegen.
Agenda
- No events.
E-mailnieuwsbrief
Vul uw e-mailadres in voor een abonnement op de maandelijkse Ruimte!-nieuwsbrief.

Artikel-feed Trackback
Even geduld...
Schrijf een reactie