Afgelopen maandag vond in LUX het debat De toekomst van de wijken en de stad plaats. Tijdens deze avond werd samen met ondermeer Vincent Smit van de VROM-raad teruggekeken op het wijkgericht werken tijdens de afgelopen collegeperiode en vooruitgeblikt op de komende jaren. Uitgangspunt van de avond was een journalistiek onderzoek van Piet-Hein Peeters dat u hier onder in volledigheid kunt teruglezen.

Een verslag van het debat volgt gauw op deze site.

Lees hier onder het onderzoek van Piet-Hein Peeters.

1.

Dames en heren, we beginnen deze avond positief. Het gezelschap dat ik heb mogen interviewen, is grosso modo goed te spreken over de resultaten van het wijkgericht werken in Nijmegen zoals zich dat in de afgelopen acht jaar ontwikkeld heeft. Om het in de zo bejubelde wijktevredenheidscijfers uit te drukken, gemiddeld een dikke zeven. De wijkmanager, de twee voormalige wethouders, allebei werkzaam in het laatste college, de corporatie directeur, de twee directeuren van lokale maatschappelijke organisaties, de landelijk zeer ingevoerde journalist, allen vinden dat het wijkgericht werken haar meerwaarde bewezen heeft. Eén van de voormalige wethouders zegt: “sinds 1994 vertonen de wijktevredenheidscijfers een stijgende lijn.” De journalist stelt: “Na de anonimisering die in de jaren negentig plaatshad, zijn de professionals weer terug in de haarvaten van de lokale samenleving.” Eén van de directeuren van een maatschappelijke organisatie meent “dat we de juiste schaal van werken hebben gevonden. Met name aan de beheerskant - schoon, heel en veilig - en op voorzieningenniveau zijn flinke stappen vooruit gezet.”

En let wel, het gaat hier niet alleen over de wijkaanpak op zich, maar ook over het web dat na het aantreden van de Groen Links, SP en PvdA coalitie over de stad is heen gelegd. De functie van de wijkmanager is hier bij uitstek het symbool van geworden. Alle wijken van de stad hebben in de afgelopen acht jaar specifieke en beter op de behoeften van die wijk gerichte aandacht gekregen. Bovendien zijn in die wijken netwerken van samenwerkende professionals ontstaan. Die netwerken zijn er misschien wat veel, en de samenwerking kan nog wat gepolijster, maar ze zijn er wel. Eén van de directeuren van een maatschappelijke organisatie die ik sprak, formuleerde het het meest pregnant: “De jongerenproblematiek in de Meijhorst kon door het bestaande netwerk veel sneller opgepakt dan in het verleden het geval zou zijn geweest. Daardoor is verdere escalatie vroegtijdig voorkomen.”

Is het alleen maar Hosannah? Nee, dat niet. Met name de directeur van de corporatie en één van de directeuren van een maatschappelijke organisatie formuleren wat je ‘academische’ kritiek zou kunnen noemen. En voor de duidelijkheid, ik behoor niet tot die maatschappelijke stroming die ‘academisch’ als scheldwoord gebruikt. Beiden vragen zich af wat die wijktevredenheidscijfers nou eigenlijk zeggen. De directeur van de corporatie noemt de cijfers “perceptie, ze zeggen te weinig over hoe het er echt voor staat.” De directeur van de maatschappelijke organisatie stelt “dat we te weinig weten over de relatie tussen inzet en opbrengst. Het kan zomaar zijn dat er alleen maar een paar ettertjes zijn verhuisd.” Onafhankelijk van elkaar menen ze dat wijkgericht werken in eerste instantie een antwoord moest zijn op een politiek vraagstuk. En roepen de politieke turbulentie van eind jaren negentig en begin deze eeuw in herinnering: het succes van de leefbaar partijen en Pim Fortuyn. Niet de zorgen van de kwetsbare wijkbewoners, maar het politieke sentiment was leidend. En dat heeft volgens beiden ook gevolgen gehad voor de kwaliteit van de analyse. Ik kom hier verderop in deze avond nog op terug.
De wijkmanager die ik gesproken heb, pareert de kritiek op de wijktevredenheidcijfers overigens het meest stellig: “die cijfers zijn uit veel meer opgebouwd dan alleen de vraag aan bewoners hoe ze het nu vinden gaan. Naast die inbreng wordt er ook en goed gebruik gemaakt van feitelijk onderzoeksmateriaal zoals dat bij de gemeente beschikbaar is.”

Behalve de wijktevredenheidcijfers roept ook de positie van de wijkmanager wel enige discussie op. Eén van de directeuren van een maatschappelijke organisatie meent dat wijkmanagers niet in de positie zitten om primaire processen van partners in het wijkgericht werken aan te sturen. U begrijpt, dat misverstand heeft zich wel eens voorgedaan. En ook bij de gemeente intern, stelt één van de voormalige wethouders die ik sprak, was het regelmatig zoeken in de verhouding tussen de wijkwethouder, pardon manager, en beleidsafdelingen. Beide wethouders en de wijkmanager herkennen de discussie dan ook, maar bezweren dat dit aanloopproblemen waren. Inmiddels zou de functie van de wijkmanager behoorlijk helder zijn: hij of zij signaleert en verbindt. Binnen de wijk en tussen wijk en stadhuis. Interessant in dit verband is overigens wel de opmerking van de andere directeur van een maatschappelijke organisatie die ik sprak. Deze zegt juist dat “er behoefte is aan meer doorzettingsmacht in de wijk. Actie en reactie gaan nu regelmatig te langzaam.”

Maar de hiervoor geplaatste kanttekeningen zijn ook niet meer dan dat. De directeur van de corporatie zegt: “wat er nu gerealiseerd is, moet er zeker blijven.” En de op de tevredenheidscijfers zo kritische directeur van een maatschappelijke organisatie stelt: “Het gezamenlijk bewustzijn over deze problematiek en deze schaal is sterk toegenomen. Het klimaat is rijp om de goede dingen te gaan doen.” Dat rijpe klimaat wordt in andere bewoordingen ook geschetst door de wijkmanager. Deze meent dat op de kwetsbare plekken in deze stad nu veel energie gebundeld is en gebruikt de metafoor van de ballon. “Het gaat er nu om die niet los te laten.”

Want dat, dames en heren, is natuurlijk wel de dreiging. Er treedt een nieuw college aan in deze stad dat ongetwijfeld een eigen motto zoekt en er moet bezuinigd worden. Ik heb in het afgelopen decennium behoorlijk wat bijeenkomsten over wijkgericht werken mogen meemaken, en een structureel terugkerend pijnpunt was de - natuurlijk onbedoelde – wispelturigheid van de politiek. Alle geïnterviewden bewezen lippendienst aan het belang van continuïteit: de aanpak van de problemen van kwetsbare wijken en hun bewoners is een kwestie van lange adem. Laat je nu los, dan is er ook sprake van een forse investering die verloren gaat. Of, om te eindigen met een uitgesleten en dus ware sportmetafoor: ‘aan de top komen is makkelijker dan aan de top blijven.”

2.

De lokale reacties op het rapport van de VROM-raad werden het best verwoord door één van de voormalige wethouders. Deze zei: “Het is heus niet zo dat iedere wijk in Nijmegen een eigen zwembad heeft of gaat krijgen.” Stad en Wijk Verweven is in Nijmegen niet geland of in iedere geval niet herkend. Geen van de geïnterviewden begon op eigen initiatief over de ontbrekende relatie tussen wijk en stad en wanneer ik ernaar vroeg, was de eerste reactie enigszins defensief. “Ik herken dat beeld van het strakke keurslijf van de wijkaanpak niet” antwoordde bijvoorbeeld de wijkmanager.

Alleen de outsiders die ik gesproken heb, erkenden de punten die de VROM-raad maakt. De landelijke opererende journalist, de hoogleraar economische geografie en de directeur van de lokale culturele instelling, zij allen pakten de handschoen van de VROM-raad op. De hoogleraar stelt dat “de sociaal-economische component in de Nederlandse wijkaanpak onderontwikkeld is.” Hij constateert dat de fysieke pijler, gevolgd door de sociale de overhand heeft en merkt licht vilein op dat het hebben van een baan of het doen van een opleiding toch ook een goede bijdrage kan leveren. De hoogleraar vertelt over Campus-west, een project in Amsterdam waaraan grote werkgevers zich verbonden hebben en waar tieners en twintigers door deze bedrijven geënthousiasmeerd en bijgeschoold worden. Deze werkgevers doen dat omdat zij in de nabije toekomst een fors arbeidsmarktprobleem voorzien. Amsterdam is natuurlijk een andere schaal dan Nijmegen, maar de in onze stad sterk aanwezige gezondheidssector heeft over tien jaar toch echt een groot tekort aan goed personeel.
Ook de journalist constateert dat “de sociaal-economische dimensie niet heel prominent aanwezig is in de wijkaanpak en dat hier een verbinding met de economie van de stad en de regio voor de hand ligt.” Hij vertelt over zijn bezoek aan Groningen waar hij mee mocht lopen met een wijkschouw. Tot zijn verbazing kreeg hij op zijn vraag naar hoeveel zelfstandig ondernemers er in die wijk zaten geen antwoord. Men wist het gewoon niet.

Journalist en hoogleraar stellen tenslotte beiden dat inmiddels toch duidelijk mag zijn dat het sociaal-economisch probleem van een wijk niet in die wijk zelf opgelost kan worden. Wijkeconomie dient hooguit een sociaal doel. Maar de sociaal-economische positie van de gemiddelde bewoner van een kwetsbare wijk is een stedelijk vraagstuk. Je mag je afvragen in hoeverre dat bewustzijn al doorklinkt in het wijkgericht werken in Nijmegen als de directeur van een maatschappelijke organisatie vertelt dat “leerwerkplekken vaak alleen gezocht worden binnen het in de wijk aanwezige netwerk aan partijen.” Of is het zo dat de sociaal-economische dimensie per definitie buiten het domein van het wijkgericht werken valt?

In het VROM-raad rapport wordt ook gewezen op de mogelijke verbindingen met de stedelijke cultuursector. Nogmaals, ook dit viel niet gelijk in vruchtbare aarde bij de direct betrokkenen in het Nijmeegs wijkgericht werken. Slechts één van de directeuren van een maatschappelijke organisatie constateerde “dat deze stad delen heeft die verweesd zijn, die geen identiteit en dus minder tot geen samenhang hebben.” Met enige goede wil, kun je zeggen dat hier een culturele uitdaging geformuleerd wordt.
De journalist reageerde echter met enthousiasme op de ideeën van de VROM-raad op het gebied van cultuur. Hij sprak over het ontwikkelen van “culturele kruispunten, plekken waar aan de hand van positieve gebeurtenissen verschillende groepen mensen elkaar ontmoeten, contact maken.” Hij wees op decentralisatie van culturele evenementen die in enkele grote steden in Nederland plaatsheeft.
Logischerwijs laat de directeur van een Nijmeegse culturele instelling die ik gesproken heb zo’n kans niet liggen. Maar zijn standpunt is daarom niet minder de moeite waard. Hij vertelt over hoe cultuureducatie steeds meer is gaan wortelen in de Nijmeegse open wijk scholen en hoe daardoor beoefening en uiteindelijk ook optreden ook steeds meer plaatshebben. Die optredens zijn in de wijk, maar ook in grote zalen hier in het centrum van de stad. Bussen wijkbewoners komen er naartoe komen om hun zoon of dochter te zien musiceren of dansen. Hij wijst ook op wijkfestivals die in Nijmegen-Oost welig tieren, maar die elders maar moeilijk of niet van de grond komen. Je zou kunnen antwoorden dat uit het verhaal van de cultuurdirecteur blijkt dat in het wijkgericht werken via de open wijk scholen de verbinding met cultuur al gelegd is. Mijn beeld is eerder dat - net als bij economie - de relatie met cultuur en met name de stedelijke dynamiek daarin, niet op het netvlies staat van de mensen die met wijkgericht werken aan de slag zijn. En gezien de reacties in de interviews met direct betrokkenen lijkt het ook niet nodig te worden gevonden.

3.

In ieder interview heb ik de vraag gesteld welke nieuwe richting wijkgericht werken in de komende jaren zou moeten nemen. Waar moet over nagedacht worden, zeker in deze politiek interessante tijd? Zoals gezegd staat de relatie met de stad en in het verlengde daarvan de velden economie en cultuur niet hoog op de agenda. En in alle eerlijkheid, in een aantal gesprekken kreeg ik überhaupt niet de indruk dat er specifiek iets hoog op de agenda staat als het gaat om de toekomst van wijkgericht werken. Er is tevredenheid, in de woorden van de wijkmanager: “er is al veel gedaan en wat nog niet gedaan is, staat meestal al wel in de steigers. Het moet wel volgehouden worden.” Dat laatste kun je overigens zonder meer een agendapunt noemen.

Enig doorvragen leerde echter wel dat twee onderwerpen de lokaal betrokkenen bezig houden. Eén daarvan gaat wel degelijk over de toekomst van wijkgericht werken, het ander is eerder een dilemma waarmee door de lokaal betrokkenen geworsteld wordt. Ik begin met dat laatste.

De directeur van een woningcorporatie vertelde in zijn interview over de in zijn ogen onnodig frustrerende rol die bewoners in de fysieke ontwikkeling van wijken spelen. Hij zei dat “ er in Nijmegen nog te veel sprake is van politieke correctheid richting bewoners.” Hij stelt dat de lange termijn visie op de ontwikkeling van een wijk bij hem toch echt in betere handen is dan bij de gemiddelde wijkbewoner. De ontwikkeling van een wijk maakt immers bijvoorbeeld deel uit van de ontwikkeling van de stad, toch een beetje Stad en Wijk verweven. Dat de directeur van de woningcorporatie dit benoemt, verrast u wellicht niet. Het werd echter ook beaamd door één van de wethouders. Deze zegt: “Ik denk dat we een beter onderscheid moeten maken tussen de positie die bewoners hebben in de fysieke ontwikkeling van het gebied waar ze wonen en de positie die ze hebben op sociaal terrein.”

Voor de duidelijkheid: bijna alle geïnterviewden vinden bewoners essentieel als partner in de aanpak van sociale problematiek. Diezelfde wethouder die onderscheid tussen sociaal en fysiek bepleit, is bijvoorbeeld trots op de samenwerking van bewoners en professionals in het verhelpen van de problemen in Hatert rond de jaarwisseling.
Maar ook in het sociale wordt de bewoner wellicht wat te weinig op zijn of haar plaats gezet. De directeur van een maatschappelijke organisatie zegt: “Ik vind de tolerantie van veel wijkbewoners een dilemma. Een groep hangjongeren is niet hun probleem, maar het probleem van die jongeren. Als het gaat om de integratie van belangen van alle wijkbewoners, kunnen we nog wel een slag maken.” En de wijkmanager formuleert het prachtig neutraal. “De rol van bewoners kan nog verbeterd worden. We kunnen beter expliciteren in welke processen ze welke rol vervullen.”
Ik neem u hier ook even mee terug naar het begin van mijn verhaal. De vraagtekens die door de directeur van de corporatie en een directeur van een maatschappelijke organisatie gezet werden bij de kwaliteit van de probleemanalyse van een wijk. Wie definieert het probleem dat aangepakt moet worden?

Is, kortom, de smaak van een selecte groep bewoners niet te leidend in het wijkgericht werken?

De positie van bewoners is dus het mogelijke eerste punt op de ontwikkelagenda van het wijkgericht werken in Nijmegen. Het tweede punt is de vraag of we de kraan wat beter kunnen dichtdraaien. Kunnen we nieuwe probleemwijken of een verkeerde instroom in bestaande kwetsbare wijken voorkomen? Wijkgericht werken is in de ogen van veel geïnterviewden nog teveel het plakken van pleisters en het aanbrengen van verbanden. Is het mogelijk te voorkomen dat een wijk gewond raakt of is dit een niet te beheersen gevolg van de relatie tussen wijk en stad, van stedelijke dynamiek? Kunnen we greep krijgen op lokale migratiestromen? Eén van de directeuren van een maatschappelijke organisatie zegt: “Stel dat er een jonge vrouw in Berg en Dal schizofreen wordt. Kunnen we dan voorkomen dat ze uiteindelijk in de Meijhorst terecht komt?” Beide voormalige wethouders onderstrepen dit probleem. Het zou makkelijker moeten zijn verkeerde instroom in een reeds kwetsbare wijk te voorkomen. Daarmee komt het debat bij onderwerpen die in Nijmegen en landelijk al langer bediscussieerd worden: woonruimteverdeling, het verkopen van huurwoningen in kwetsbare wijken. Dat lijkt soms geen echt debat meer, de stellingen zijn betrokken, de uitkomst is afhankelijk van politieke meerderheden. Meer intrigerend vond ik de opmerking van de directeur van de corporatie die stelde dat je “moet accepteren dat er in een stad putjes zijn, maar dat je je moet inspannen of je het putje wat minder diep kunt laten liggen.” Is het wijkgericht werken daarvoor het juiste instrument?

Drie punten dus op de toekomstagenda van wijkgericht werken. De positie van bewoners, het voorkomen van probleemontwikkeling en continuïteit.


  1. Geen reacties

Schrijf een reactie





abonneer op deze feed itunes.gif

Agenda


    • No events.
Helaas, de agenda doet het even niet. Zie de algemene agenda van LUX voor de debatten die LUX organiseert, waaronder ook de Ruimte!-programma's.

E-mailnieuwsbrief



Vul uw e-mailadres in voor een abonnement op de maandelijkse Ruimte!-nieuwsbrief.